Home > Actueel > 

OM-topman waarschuwt voor 'amateurpolitiestaat'

Den Haag, 15 februari,

Burgers en journalisten moeten ervoor waken niet te ver door te schieten in het eigenhandig rechercheren naar strafbare feiten en het publiekelijk aan de schandpaal nagelen van verdachten.

Dat heeft mr H.N. Brouwer, de voorzitter van het College van procureurs-generaal, de landelijke leiding van het Openbaar Ministerie (OM), vrijdag 15 februari gezegd in de eerste Gonsalveslezing. Deze lezing wordt gehouden ter gelegenheid van de uitreiking van de mr Gonsalvesprijs, de innovatieprijs voor de rechtshandhaving. Het wetenschappelijk bureau van het OM gaat onderzoeken of er een wettelijke regeling op dit punt moet komen.

De winnaar van de tweede mr Gonsalvesprijs is het project SMS Alert waarbij burgers sms-jes krijgen van de politie waarin ze wordt gevraagd mee te kijken naar bijvoorbeeld gestolen voertuigen of vermiste mensen. Een prima project, aldus Brouwer, maar er zijn ook voorbeelden dat burgers en journalisten te ver dreigen te gaan. ,,Zoals gezegd, ik ben een groot voorstander van meer burgerparticipatie. Op dat gebied hebben we nog niet het volledige potentieel aan meekijkers en meedenkers benut. Maar waar ik een beetje bang voor ben, is dat er tegelijk ook een cultuur van burgeropsporing ontstaat. Een cultuur waarin allerlei lieden zichzelf tot hulpsheriff uitroepen en onder het mom van de strijd tegen de misdaad dingen gaan doen die niet mogen. We willen niet in een politiestaat leven, maar al helemaal niet in een amateurpolitiestaat.”

‘Privacy zwakkere partij’

De OM-topman doelde bijvoorbeeld op het stelselmatig observeren door journalisten van iemand die zij verdenken van een strafbaar feit. ,,Bij deze journalistieke variant op de burgeropsporing is al snel sprake van een conflict tussen twee fundamentele mensenrechten. Aan de ene kant de vrijheid van meningsuiting, met, zoals allerwegen erkend wordt, als logisch complement de journalistieke vrijheid van nieuwsgaring. Aan de andere kant staat het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de door de journalist onderzochte personen. Dat kan een harde botsing opleveren, waarbij het gevaar reëel is dat de privacy de zwakkere partij is”, aldus mr Brouwer.

Volgens Brouwer moet de journalistiek ‘een stevig debat’ voeren over deze ontwikkeling. ,,Jammer genoeg, merk ik nog weinig van een dergelijk debat binnen de journalistiek. Is dit bijvoorbeeld niet iets voor de Nederlandse Vereniging van Journalisten? Men doet volop mee met de medialisering van het strafrecht, en maakt hoogstens af en toe pas op de plaats door in een hoofdartikel of opiniestuk heel flink vast te stellen dat het allemaal wel een beetje griezelig is. Zo kan de rare situatie ontstaan dat door de schroom van de beroepsgroep om voor zichzelf de grenzen af te bakenen, die grenzen toch weer ingevuld moeten worden door de overheid, te weten de burgerlijk rechter of  de strafrechter wanneer een journalist in een concreet geval over de schreef lijkt te zijn gegaan.”

‘Youtubisering’

Ook burgers zoeken de grenzen op. Brouwer: ,,Moderner is wat ik de ‘Youtubisering’ zou willen noemen. Burgers onderzoeken andere burgers en zetten hun bevindingen klakkeloos op het internet. Bijvoorbeeld filmpjes van hoe de buurman zwart aan het klussen zou zijn of weblogs van hobbyclubs over waarom toch niet de voor het feit veroordeelde  X, maar Y de werkelijke dader is. Feitelijk gaat het niet alleen meer om burgeropsporing, maar meteen ook om burgervervolging.

Onderzoek naar beperkingen

Brouwer kondigde in de Gonsalveslezing aan dat het wetenschappelijk bureau van het OM dit jaar onderzoek zal doen naar de vraag of het OM zichzelf beperkingen moet opleggen bij het gebruik als bewijs van de vruchten van dubieuze burgeropsporing. De uitkomsten van dat onderzoek kunnen leiden tot nieuw OM-beleid in de vorm van een aanwijzing.

De tweede onderzoeksvraag voor het wetenschappelijk bureau is: maken burgers en bedrijven nu gebruik van specifieke onderzoeksmogelijkheden die zo ingrijpen in de persoonlijke levenssfeer, dat er wettelijke verboden zouden moeten komen, in aanvulling hetgeen thans reeds in het Wetboek van Strafrecht verboden is.